Over diabetes

Hypo en hyper

Als uw kind diabetes heeft, dan gebeurt het wel eens: hij of zij zit ‘te hoog’ of ‘te laag’. Dat betekent, dat uw kind te veel of te weinig suiker (glucose) in het bloed heeft. Uw kind voelt zich dan niet lekker. Af en toe een te hoge (hyper) of te lage (hypo) bloedglucose is niet erg. Maar uw kind moet wel weten wat hij of zij, de ouders, of mensen in de omgeving dan moeten doen. Normaal zit de bloedglucose tussen de 4 en 8 mmol/l. Het kan gebeuren dat de bloedglucosewaarde zo laag is, dat uw kind wegraakt. Het kan dan zelf geen glucose nemen. In zo'n geval is het nodig dat iemand anders glucagon inspuit bij uw kind. Glucagon is een stof, die de glucose uit de reserveopslagplaats (de lever) vrijmaakt, en ervoor zorgt dat uw kind weer bijkomt. Omdat de lever weer aangevuld moet worden met glucose, moet uw kind het eerste uur na de glucagon-toediening altijd extra koolhydraten eten. Anders krijgt uw kind weer een hypo.

Hypo

Als uw kind te weinig glucose (suiker) in het bloed heeft (onder de 4 mmol/l), dan heeft het een hypo. Met andere woorden: een hypoglykemie. Als uw kind een hypo heeft, dan merkt hij of zij dat bijvoorbeeld door zweten, trillen, hoofdpijn, duizeligheid, minder concentratie, moeheid, honger hebben of chagrijnig worden. Als uw kind dit voelt, moet het even meten. Zit uw kind ‘laag’, dan kan het bijvoorbeeld limonade drinken, een paar dextro’s nemen en een extra boterham eten. Na een kwartier nog een keer testen. Zit het dan nog te laag, dan moet uw kind opnieuw iets met suiker nemen.

Hyper

Als uw kind boven de 10 mmol/l zit, dan heeft het een hyper. Uw kind moet dan meestal vaker plassen, voelt zich moe en heeft enorme dorst. Om te zorgen dat uw kind minder ‘hoog’ komt te zitten, moet het insuline spuiten. Dat doet uw kind met de insulinepen of met de insulinepomp. Bij een pomp heet het bijspuiten ‘bolussen’. Die insuline zorgt er dan voor dat de suiker uit het bloed weer door de spieren, het hoofd en lichaam kan worden gebruikt. Dat veel moet plassen, dorst hebben en moe zijn, is dan weer snel over.

Wanneer een hyper?

Uw kind krijgt een hyper als het te veel koolhydraten eet, te weinig insuline spuit, minder beweegt dan dat het van plan was, maar ook bij ziekte en stress. Bijvoorbeeld als uw kind zenuwachtig is voor een proefwerk. Bij een te hoge bloedglucosewaarde heeft uw kind extra insuline nodig. Hiervoor gebruikt hij of zij de snelwerkende insuline. Van de kinderarts en de diabetesverpleegkundige leert uw kind hoe daarmee om te gaan.